 |
De overgave - hoofdstuk 1 |
| | blz 11-12Die ene dag. Mensen vragen altijd alleen maar naar die ene dag. Alsof ik er geen andere heb geleefd. Of ik me die nog herinner, durven ze soms te vragen. Jazeker, ik herinner mij die dag. Ik herinner hem mij zoals andere mensen van mijn leeftijd zich een heel leven herinneren. Geen wonder, ik bén die vierentwintig uur. Alles wat ik nu nog denk en droom en doe, werd daarbinnen bepaald. Wat ik voor die ochtend ben geweest, verloor iedere waarde; wat er na die nacht nog van mij over was, kon nergens anders nog belang aan hechten. Ik heb altijd gezegd dat met die dag alles begonnen is en alles ophield. En nu, op de valreep, dient zich een vervolg aan. Had ik gezegd dat ik die kerel niet wil zien, dat ik het verdom oude wonden open te rijten en hem dus niet zal ontvangen, dan was alles gebleven zoals het was. Zoals ik het ken. Zoals ik het begrijp. Maar hij is er al. De oude miss Croney kwam het me vertellen, helemaal over haar toeren. Gisteravond is hij in de stad gearriveerd, net na zonsondergang, en hij heeft vannacht boven The Whistle gelogeerd met twee van zijn vrouwen. Hij draagt een driedelig zwart pak, een gouden horlogeketting en een dasspeld in de vorm van de ster van Texas. Mijnheer wel. Elegant steunt hij op een slanke wandelstok, maar van onder zijn bolhoed hangt zijn haar in lange zwarte vlechten. ‘Die mond van hem,’ Croney gruwde ervan, ‘zo verbeten, de hoeken tot aan de kaken neergetrokken, zoiets grimmigs heb je nooit gezien.’ ‘Dacht je?’ bromde ik. ‘En zijn ogen dan, die blik, o God, die vernietigende blik!’ Ze sloeg haar handen voor haar gezicht, maar ik geloof niet dat ze zich realiseerde wat ze zei. Als je haar moet geloven heeft de stad er de hele nacht van gegonsd en heeft niemand een oog dichtgedaan. Vanochtend vroeg heeft zich in de hoofdstraat een groepje verzameld dat met het uur uitdijt, wachtend tot de vreemdeling zich laat zien. ‘Dus jij wist dat hij zou komen?’ vroeg Croney. Die had zich natuurlijk van de nieuwsgierigen losgescheurd in de hoop dat mijn reactie nog groter vuurwerk zou opleveren, en nu klonk ze beteuterd. ‘En dat het om jou is, dat weet je ook?’ ‘Er komen hier zo veel mensen om mij een keer te zien.’ ‘Maar hij! Kom nou, ik bedoel... uitgerekend hij!’ Ik had zelf niet kunnen denken dat een dag als deze ooit zou aanbreken, dus waarom zou een ander het begrijpen? Granny Parker ontvangt de aanvoerder van de Comanche! Lees hier ook de volgende fragmenten: Fragment 2 uit De overgave Fragment 3 uit De overgave Fragment 4 uit De overgave
|
|
|
| Top |
Een schitterend gebrek - hoofdstuk 1 |
| | Amsterdam 1758Die avond, waarop alles in een nieuw licht kwam te staan, zou ik zoals alle donderdagen eigenlijk dineren met mijnheer Jamieson, een groothandelaar in huiden en tabak, en misschien daarna samen wat gaan dansen. Alleen omdat zijn jicht hem overvallen had en de goede man moest afzeggen, besloot ik mijn loge in de opera op te zoeken. Begrijp me niet verkeerd, ik heb altijd sober geleefd. Vanaf het moment dat het onheil toesloeg en ik door het leven werd voortgejaagd was ik spaarzaam. Ik moest wel, omdat ik lange tijd niet wist wat de volgende dag mij zou brengen. Of ik te eten zou hebben. Of er voor mij zou worden gezorgd. Of ik aangevallen zou worden en verder opgejaagd. Ook toen ik dan uiteindelijk in Amsterdam een zekere positie had verworven heb ik mij nooit meer aangemeten dan de uitdossing die de kringen waarin ik verkeerde van mij verwachtten en natuurlijk zaken die ik nodig had voor de uitoefening van mijn vak. Buitenissigheden heb ik mij nooit veroorloofd. Ik heb er ook niet naar getaald. Dit stond ik mijzelf de laatste jaren echter wel toe: een vaste logeplaats in de Franse schouwburg aan de Overtoom, die ik bezocht zodra ik mij daarvoor vrij kon maken. Daarheen was ik die avond, half oktober, dus op weg. Ik had zoals ik gewend was een bootsman met een kleine, maar propere sloep gehuurd. Het was kil. De kou op de grachten is in Amsterdam anders dan in Venetië. Hij begint maanden vroeger, dringt het lichaam sneller en scherper binnen en nestelt zich eerder in de botten dan in de longen. Toch ga ik liever met de boot dan met een rijtuig. De mensen op de kade slaan geen acht op wie voorbijvaart. Zij gaan op in hun gesprekken. Zo word ik het minst opgemerkt. Ik kan hen echter op mijn gemak bestuderen. Dat deed ik ook die avond, deels voor mijn plezier, deels met het oog op mijn professie. In de bocht van de Herengracht vielen mij twee heren op. De een was Jan Rijgerbos, een handelaar aan de beurs, die voor mij geen vreemde was. Het is een vriendelijke, welopgevoede weduwnaar, fris en goedgebouwd en niet veeleisend. Zijn metgezel kende ik niet. Die had een donker voorkomen met een opvallend profiel. Het was dat laatste dat mij onmiddellijk trok. Zijn aanblik raakte mij zonder dat ik begreep waarom. Ik vroeg de bootsman sneller te roeien, zodat wij het stel nog even bij konden houden. Ik bestudeerde de onbekende. Hij had een ovaal gelaat en droeg een blonde pruik, die het beter liet uitkomen. Hij was niet bijzonder knap maar wekte dadelijk mijn lust, op een manier die ik van mijzelf niet kende. Dit ergerde mij. Ik ben gewend degene te zijn die de lusten wekt. Hij was me toch te mager, besloot ik. Bovendien ging hij volgens de laatste Parijse mode gekleed in een kniebroek van gele zijde, die zijn kousen bloot liet, wat hem in dit gure weer potsierlijk stond. Ik verloor mijn interesse en keek alweer rond naar andere wandelaars. Terwijl we onder de Leidsebrug door voeren, staken Rijgerbos en zijn vriend die juist over en ik ving alsnog een flard op van hun gesprek. Zij spraken in het Frans, de een moeizaam, de ander vloeiend. De stem van die Fransman stond me aan. Ik liet de bootsman stilhouden onder de bogen van de brug. Daar wachtten wij in de schaduw tot het stel uit het zicht was. Het is dat mijn decolleté onverantwoord diep was uitgesneden; het is dat ik bepaald niet zonder zonden ben; het is dat mijn gedachten die avond verre van verheven waren; het is dat ik niet het soort vrouw ben aan wie een hogere macht ook maar een kwartiertje van zijn tijd zou verdoen, anders zou je nog denken dat God zelf of anders de duivel voor zijn vermaak in de hele opzet een handje heeft gehad. Een samenloop als deze! Hoe zelden is ons een glimp vergund op het grotere verband waarbinnen de voorvallen uit ons leven een plaats krijgen? Zelfs ik was niet bedacht op wat mij nu te wachten stond, terwijl het lot mij toch jarenlang als speelbal heeft gebruikt. Al die tijd ben ik op mijn hoede gebleven. En juist nu ik dacht dat het eindelijk met mij was uitgesold en mij verveeld terzijde had geschoven, greep het leven mij in volle heftigheid weer bij de keel. Dit keer kan ik niet anders dan aanvaarden dat achter sommige rampspoed een bedoeling schuilt. Dat het dus zin heeft vol te houden. Mij is het bewijs daarvan geleverd. Of in elk geval… dat zal mij, als God het wil, zeer binnenkort geleverd worden.
Zoals gebruikelijk nam ik kort na aanvang van de voorstelling mijn vaste plaats in, zodat ik zo min mogelijk mensen aanstoot geef. De opera die werd opgevoerd was een oud herdersspel, onlangs getoonzet door een componist uit Grenoble. De meeste rollen werden door de vaste zangers vervuld, van wie de favorieten werden begroet met een ovatie. De hoofdrol, een schapenhoedster, werd vertolkt door een sopraan die in deze rol in heel Europa triomfen heeft gevierd. Halverwege de eerste akte klopte Jan Rijgerbos aan de deur van mijn loge. ‘Wat een verrassing,’sprak ik, ‘Ik had geen idee dat u van toneel hield. Ik kan me niet herinneren dat wij elkaar hier ooit eerder troffen.’ Hij was te welopgevoed om zijn ongemak met ons onderhoud te tonen, maar hij zorgde er wel voor dat hij vanuit de zaal niet met mij gezien kon worden. Dat ben ik gewend. Het kwetste mij niet en ik nam het hem niet kwalijk. ‘Ik moet bekennen dat de muziek voor mijn oor te gekunsteld is, maar wat weet ik ervan? Nee, ik heb een vriend uit Frankrijk te gast. Hij bezoekt onze stad in opdracht van de Franse schatkist en staat erop elke avond een theater te bezoeken, zoals hij dat in Parijs gewend is. Wij zaten parterre…’ Rijgerbos deed een stap opzij. Daar stond zijn gast, die hij mij voorstelde als monsieur le chevalier de Seingalt. ‘Die plaatsen parterre zijn ons verkocht met de verzekering dat zij de beste blik op de voorstelling bieden,’ sprak de man in het Frans. Hij boog en kuste mij de hand, ‘Maar niemand waarschuwde ons dat het meest bekoorlijke zich vanavond niet op het toneel zou bevinden.’ Alles wat een man tegen een vrouw kan zeggen heb ik al eens gehoord. Complimenten over het uiterlijk vind ik altijd iets verdrietigs hebben, en zeker bij een eerste ontmoeting. Dan lijken ze meteen bij aanvang hun verplichting al moe. Zij moeten iets presteren waar ze zelf niet in geloven, zwaar als ploegpaarden die een dressuurnummer moeten opvoeren. Sommige vrouwen leven voor lieve woordjes. Ik heb ze liever niet. Maar hoe moet een man zoiets begrijpen? Hij hoopt ons een plezier te doen. Ik bood de heren vriendelijk aan naast mij in de loge plaats te nemen. Jan verborg zich achter het gordijntje, maar Seingalt stapte ongegeneerd naar voren. In het volle zicht van de zaal stond hij daar. De gele zijde van zijn opvallende pak leek door de kaarsen op het voortoneel wel op te lichten. Pas toen hij alle ogen op ons gericht wist, ging hij zitten en schoof zijn stoel voor iedereen zichtbaar nog eens dichter naar mij toe. Dit kon twee dingen betekenen: of Jan had hem niets over mij verteld, of hij had alles verteld en mijnheer de chevalier was voor de duvel niet bang. Hoe dan ook, ik besloot hem te mogen. De rest van de aria hoorden wij zwijgend aan. Al die tijd voelde ik de blikken van Seingalt op mij gericht. Hij probeerde door het kant dat ik als voile draag, de lijnen van mijn gezicht te ontdekken. Ik wist dat dit hem niet zou lukken en toch verontrustte het mij. Ik moest mijn ademhaling dwingen mijn opwinding niet te verraden. Zijn ogen, groot en zwart onder geloken leden, bleven maar dwalen, soms over mijn lichaam, soms in de hoop mijn oogopslag te kunnen zien. Toen in de pauze de grote luchters wrden ontstoken, ging ik wat verzitten zodat ik in de schaduw bleef. De chevalier liet weten dat hij in de L’Etoile d’Orient verbleef, in de Nes op de hoek van de Kuipersteeg. Hij vertelde kortgeleden uit Parijs te zijn aangekomen met de opdracht Franse obligaties, die daar door de oorlog bij verkoop te veel verloren, in Amsterdam te verzilveren teneinde Frankrijks financiële positie te verlichten. Al die tijd bleef hij maar proberen mijn uitdrukking te zien. Tevergeefs. Uiteindelijk vroeg hij wat niemand nog zomaar heeft gedurfd, of ik hem voor de vriendschap die hij mij aanbood wilde belonen door hem een blik op mijn gelaat te schenken. Kennelijk was hij niet gewend dat een vrouw hem iets weigerde, want later probeerde hij het nog eens en minder beleefd. Ten slotte vroeg hij ronduit waarom ik hem niet gunde waarnaar hij zo verlangde. ‘Wanneer u een kostbaar sieraad bezit,’ zei ik, ‘wilt u toch ook niet dat jan en alleman het maar bezichtigt?' ‘U hebt gelijk, ik zou het wegbergen.’ ‘Precies zo bewaak ik mijzelf, monsieur. Zorgvuldig.’
|
|
|
| Top |
Alle verhalen - bladzijde 230 - 237 |
| | BARCELONABarcelona maakt zich op. Alsof ze zich schaamt voor wat ze is, bedekt de stad haar oneffenheden onder een dikke laag makeup. De Olympische klant die behaagd moet worden, is allang gestrikt. Toch is de nerveuze afwachting in de hele stad merkbaar. Mijn duistere kamer in de hoerenbuurt wacht al maandenlang op de afbraak van het tegenoverliggende huizenblok en op de zee van licht die daarachter schuil moet gaan. Een groen plein zal binnenkort deze Catalaanse Zeedijk voor de Olympische deelnemers vermommen. Kennelijk verwacht men tijdens de Spelen ook in deze rosse buurt een grote toeloop. Maar waarom juist het blok aan de overkant en niet een ander? Niemand weet het. Met chaotische bedrijvigheid worden de straten opengemaakt en dichtgegooid, zevenmaal in één maand, alsof men in de grond op zoek is naar een reden. Het zijn symptomen van de Olympische koorts. Les demoiselles d’Avignon, de door Picasso beroemd geworden hoeren, zitten er ’s ochtends op de stoep of tegen de etalages van de Carrer d’Avignó gelaten naar te kijken. Ze zijn oud geworden. Hun haar is blauw gespoeld. Ze beschermen het met één hand tegen de forse wind die is opgestoken vanuit de bergen. Heimelijk hopen ze misschien straks nog een passerende atleet voor zich te kunnen winnen. Af en toe halen ze de keurige damestasjes van hun arm. Dan komt er een camouflagestift uit en een spiegeltje waarin ze controleren of het hún tijd nog wel zal duren. De tramontana waait. ‘Eindelijk kun je de hemel zien!’ roept de oude man die langs het havenfront komt aangehinkt. Een van de vele slachtoffers van polio, of misschien ook wel gewond geraakt tijdens Franco. Aan welke kant eigenlijk? Hij gebaart recht omhoog. ‘En verdomd, hij is blauw!’ Lachend blijft hij staan, in de hoop voor zijn opmerking een kleinigheid te vangen. Als dat niet lukt komt hij, even goeie vrienden, naast me zitten. Hij ruikt naar schoensmeer. ‘Is het hier niet gruwelijk? Fatáál!’ schreeuwt hij hartgrondig. ‘Ze doen alsof ze Saint-Tropez zijn. Dit is helemaal geen boulevard, meneer, al zetten ze er nóg vijfhonderd palmen en bankjes neer. Dit is een haven. Hier wordt gewerkt. Nou ja, hier wérd gewerkt. Jawel, door mij! Fatáál!’ Hij is nu al een paar honderd meter lang, die boulevard, tussen het begin van de kloppende ader van de stad, de Ramblas, en de volkswijk Barceloneta. Inderdaad staat hij overvol met palmen en kleurige zitjes, waarvan sommige met hun ronde tegelvormen hopen te lijken op creaties van Gaudí, tegen beter weten in. Breed liggen de verse kinderkopjes tussen de kade en de drukke verkeersader die het wandelgebied begrenst. De palmen kunnen het lawaai van het langsrazende verkeer met geen mogelijkheid dempen. ‘En dit moet helemaal tot aan Frankrijk door gaan lopen. Feest voor de palmenkwekers, maar voor mij hadden ze net zo goed een muur kunnen bouwen. Vroeger liep de stad gewoon door tot aan het water. Nu worden we ervan afgesneden. Zulke loodsen als die daarginds, die stonden overal. Daar was ons hele leven. Daar heb ik nog gewerkt. Op kantoor dan, hè, denk daar wel om! Nou staat er alleen die ene loods nog en daarin zit een restaurant dat niemand kan betalen. Nee, als we nu naar zee willen, kunnen we de snelweg veilig oversteken, maar dan moeten we nog zigzag door een stroom toeristen: meneer, het is levensgevaarlijk!’ Hij rochelt van de lach, haalt een borstel te voorschijn, knielt op de keien en poetst mijn schoenen. ‘Voor die boulevard willen ze ook die petrochemische fabrieken verplaatsen. Heel goed, maar waar naartoe? Uiteindelijk gooien ze er natuurlijk gewoon klimop tegenaan of wat vrolijke kleuren, en dan zeggen ze dat het een bos is of een kunstwerk. Vrolijk hoor, die Olympische Spelen, fatáál!’
Niets is in Barcelona wat het schijnt. De gotische poort is uit de vorige eeuw, de barokke façade is opgemaakt in de jaren twintig. Catalaanse architecten nemen het nu eenmaal niet zo nauw. Stijlen worden zorgeloos geleend, ingewisseld en aangepast. Authenticiteit betekent hier niet star zoeken naar iets nieuws in een bijna opgebruikte fantasie, maar fantasievol graaien in het verleden en ervan gebruiken wat je nodig hebt. Op die manier heeft Barcelona toch in de afgelopen eeuw nog een belangrijke en indrukwekkende eigen architectuur kunnen ontwikkelen na eeuwen van stilstand. Columbus op zijn enorme zuil geeft onbedoeld de tragiek van deze stad aan. Toen hij vertrok bloeiden handel en cultuur, maar hij ontdekte een continent dat makkelijker vanuit andere havens kon worden bereikt. Barcelona werd in één klap onbelangrijk en miste daardoor de vruchten van Spanjes bloei. Authentieke renaissance- en barokarchitectuur komt hier daarom niet voor. Maar in deze stad bouwt men zijn eigen decor. Columbus’ bronzen vinger wijst ondertussen doelloos over zee, min of meer in de richting van Egypte en niet trots naar de Amerika’s. Hij staat met zijn rug naar de Nieuwe Wereld, omdat een zeevaarder die landinwaarts wijst tegelijk te pijnlijk en te absurd zou zijn.
Een surrealistische stoet trekt rond het middaguur door een troosteloze vlakte. Wit stof wolkt omhoog op de wind uit de bergen en slaat neer op de kleurige jurken, die in vele feestelijke lagen wijd uitstaan. In een lange rij klauteren de bezoekers over de stenen en door de kuilen van een kaal bouwterrein, dat in de verte wordt begrensd door de armste flatgebouwen van een voorstadje. De Sevilliaanse vrouwen en meisjes dragen alle kleuren van de regenboog, de jongens en mannen strakke zwarte pakken en een harde ronde hoed. Sommigen zitten, zoals het hoort, trots en hoog te paard. De meesten hebben hun auto’s net achtergelaten op een immens parkeerterrein. Het is de vierde en laatste dag van het grote Sevilliaanse feest. Maar dit is ál te duidelijk niet Sevilla. De feestgangers zijn Sevilliaanse gastarbeiders in Catalonië en de klanken en de slingers in de verte, waarnaar ze gelaten op weg zijn, omlijsten slechts een kopie van hun volksfeest. In slome slagorde passeren ze een kleine jongen die langs de kant van de weg zit. Hij is een jaar of zeven. Zijn haar is grijs van het stof. Hij ziet eruit alsof hij hier alle dagen van het feest, zonder te slapen of te eten, heeft gezeten. Hij speelt op zijn kleine synthesizer – wezenloos en futloos – alleen nog de akkoorden: c, g, c, g. Zijn muziek valt in het niet bij de krachtige tonen van de Sevilliana die uit de luidsprekers op het feestterrein schallen. De straten worden er niet gevormd door huizen maar door feesttenten. Op de kruisingen hangen naambordjes die moeten herinneren aan de geboorteplaats van de feestvierders. De wegen van deze namaakstad zijn vol. De massa beweegt voortdurend op het meeslepende ritme van de handen. Het verschuivende accent wordt meegeklapt door jong en oud. Het verplaatst zich van hoek naar hoek en alles danst, tot aan de paarden toe. Tussen de mannen in de zadels ontbrandt een strijd over wie zijn ros de fraaiste passen kan laten maken. Een dronken ruiter trapt met brede, vierkante stijgbeugels in de flanken tot ze bloeden. Niet hoog genoeg die benen, niet snel genoeg die wending. In de schaduw van de tenten staan podia, die doorbuigen onder het geroffel van de Sevilliana. Wie danst welk ritme? Het dunne zeildoek laat vele melodieën door. De muziek uit de tent van de Communistische Partij vermengt zich met die van de democraten. ‘De socialisten hebben weer de saaiste stand,’ moppert een kleine, dikke man aan een lange houten tafel. Het is hem gelukt nog een keer in zijn oude, Sevilliaanse strakke broek te komen, maar nu hij zit, knapt hij er bijna uit. ‘Én de duurste hapjes!’ Zijn vrouw komt aanzetten met plastic bordjes vol kaas, brood en zwartgebakken bloedworst. De schaal garnalen, die al een tijdje in de warmte staat, gaat rond, en er wordt een zware, stroperige witte wijn geschonken die naar slechte sherry smaakt. Eindelijk kan ik de weeë geur thuisbrengen die over het terrein hangt. ‘Flink doordrinken,’ zegt de man, ‘dat is het geheim. Eerst in de stemming komen en als het je te veel wordt: herbabuena!’ Hij schuift een fles over tafel, gevuld met een aftreksel van munt, het goede kruid. ‘Nuchter in twee slokken. En zo gauw je beseft dat dit niet Sevilla is – maar dan ook helemáál niet – dan snel weer aan de wijn!’ ‘Ach,’ zegt zij, ‘ik ben zo lang niet thuis geweest, ik weet niet eens meer wat ik mis.’ ‘Ze doen heel erg hun best hoor, maar dit is het niet, nee, nee, nee.’ Hij neemt een forse slok, is in twee passen bij het podium, wacht op een voor mij geheim teken in de muziek en zet feilloos de bewegingen in die de anderen ook maken. Trots, dat vooral, onverwacht beheerst en vol vuur danst hij zijn Sevilliana. Tussen twee happen bloedworst door spoort zijn vrouw hem van achter de tafel aan met een klaaglijke kreet. Ten slotte begint ze met volle mond mee te zingen. Door de schrik duurt het even voor de tekst van deze vurige melodie doordringt:
Vanmiddag, eindelijk, heeft mijn man een vrije middag. Vanmiddag, eindelijk, kan ik boodschappen met hem gaan doen bij de Supercore! Boven het kerkhof verricht de tramontana een wonder. Uit een strakblauwe hemel valt regen op een rouwende familie. De weduwe staat geleund tegen een wand van tomben. Haar echtgenoot staat naast haar, rechtop tegen de muur, in zijn kist. Hij wacht zijn beurt af. De begraafplaats op de Montjuïc is idyllisch, maar overvol. Voor elke familie is er een tombe van één vierkante meter, meer niet. De vrouw laat één hand rusten boven op de kist. Met de andere aait ze het hout, ongeveer op de plaats waar het hoofd met de kin op de borst moet zijn gezakt. Ze is geduldig. De hele familie kijkt toe hoe eerst het marmeren grafschrift van hun tombe wordt verwijderd, daarna de sluitsteen. Een van de grafdelvers gluurt eens in de duisternis, roept er een tweede bij en na enig overleg kruipt nummer drie op zijn knieën naar binnen, tot alleen nog zijn kapotte zolen uit het gat steken. Hij krabbelt terug, voorzichtig dat hij zijn hoofd niet stoot. Dan trekt hij een oude kist naar buiten met zo’n harde ruk dat het deksel eraf vliegt. Het gezelschap is onbewogen en blijft dat terwijl de man de mouwen van zijn blokhemd oprolt, een pikhouweel pakt en met onverwachte kracht zijn slagen laat neerkomen op de loden plaat die het lichaam afdekt. Het glazen venstertje, waardoor dierbaren ooit in tranen een laatste blik op de dode moeten hebben geworpen, breekt. De scherven vallen op een schedel, die de kleur en de papperige glans heeft van pruimtabak. Nog twee rake klappen nu en de kist klapt open, als de doos van een goochelaar op het hoogtepunt van zijn truc, aan alle zijden tegelijk. Het lijk dat erin lag is verschrompeld en uitgedroogd. Alleen het gezicht heeft zijn leren trekken redelijk bewaard. Het hoofd wordt opgepakt en in één vaardige worp terug in zijn graf gesodemieterd. De familie keuvelt onverstoorbaar verder. Het is niet anders. Zolang ze geen tweede graf kunnen betalen, zullen ze moeten inschikken. Ze kijken beleefd toe hoe de delver in het geblokte hemd zijn billen naar het graf keert en er wijdbeens voor gaat staan. Hij bukt zich en pakt de romp, die voor hem op de grond ligt, bij de schouders beet. Snel en routineus schuift hij de dode als een matje onder zich door terug naar binnen. Wat gruis en losse stukjes die achterblijven, voert hij aan de winden van de tramontana. Het hout van de oude kist wordt met wat lukrake trappen uit de weg geschopt. Dan maakt het gezelschap zich op om te rouwen. De pas gestorvene wordt voor de tombe gelegd. Een paar woorden en de kist van het volgende familielid verdwijnt in het onverzadigbare gat. De anderen zijn in een rij gaan staan en hebben hun handen gevouwen, maar hun houding houdt iets nonchalants. Quasi-onverschillig doorstaan ze deze onverhulde blik op de eeuwigheid. Geen van hen geeft een kik wanneer het kraakt, en nog eens kraakt, en eventjes niet wil en dan weer kraakt en ineens naar binnen schiet. Ze zijn aan het inschatten wie van hen straks op zijn beurt de dode van vandaag zal pletten en door wie van de aanwezigen zij later zelf naar achteren zullen worden doorgeschoven. Zelfs de eeuwige rust is hier niet zoals hij werd voorgespiegeld.
’s Avonds, in het overdadige Teatro del Liceo, zingt Marilyn Horne in een stevig mannenpak haar Tancredi. Buiten zijn de rollen omgedraaid. Rondom die vergulde bonbonnière op de Ramblas komen, nu het donker is, mannen in hun mooiste jurken naar buiten. Een enkele travestiet lijkt haar creatie zo uit een van de chique winkels van de Passeig de Grácia gehaald te hebben. Een andere wil vooral gewóón zijn in een wollen truitje en een hoofddoek. Zij schuift in de drukte bij mijn tafeltje aan en bestelt. We bekijken de passanten onder de bogen van het harmonieuze, aan vier kanten gesloten Plaça Reial. Een jongen met een knotje werpt wat vlammen en vier Zuid-Amerikaanse poncho’s zingen vol vuur dat er een condor voorbijvliegt. ‘Die zijn hier om de hoek geboren,’ zegt mijn tafelgenote. ‘Nu is de trend misschien “La Bamba,” morgen is het “Edelweiss.” Staan die Barcelonese boys in Lederhosen.’ Ze slaat haar benen elegant over elkaar, en koketteert met haar geheim. ‘Ieder het zijne, nietwaar?’ Een aantal glazen later springt ze voor Barcelona in de bres: ‘Zoveel schoonheid, zoveel vrijheid. Dit is toch zeker de mooiste stad die je je kunt wensen? Wie niet zien wil, die ziet niets. Maar zet de bril op die je wilt en het leven is prachtig. Luxehotels, winkels als in Parijs, de mooiste musea van de wereld, Picasso, Miró – en daartussen kun je spelen wat je wilt. En spelen doen we. Spelen, dat kunnen wij Catalanen. Wij spelen dat we Spaans zijn. We spreken onze eigen taal, maar spelen dat we meedoen met de rest. Het is een masker. Iedereen heeft er een. Het is gemakzucht. Daaronder kun je zijn wie je bent, ongestoord. Dat is nou Gaudí! Een echte Catalaan. Slingers heeft hij door de stad gelegd, glinsterend als kinderkralenkettingen. Hij heeft haar voor ons opgemaakt, zoals hij haar voor zich zag. Een voorbeeld voor ons allemaal: staat het je niet aan, maak het mooi, maak het anders. Dat heeft Gaudí begrepen en zijn kralen lijken diamanten maar ze zijn van glas, zoals een kind zijn kamertje opsiert tot het de zaal wordt van een paleis.’ Ze neemt er nog een om het af te leren en mengt zich dan op de Ramblas tussen de galajurken, die uit het Liceo stromen. Terwijl Marilyn Horne haar bakkebaarden afdoet, luistert ze naar het gezang van de namaak-Peruanen onder het raam van haar kleedkamer. Ook zij vermommen hun banaliteit, fatáál, en verkopen het leven van alledag als liefdeslied:
Ik snij de kropsla om een salade te maken, Caramba!
|
|
|
| Top |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |