Fragment uit Een schitterend gebrek
hoofdstuk 1
Amsterdam 1758
Die avond, waarop alles in een nieuw licht kwam te staan, zou ik zoals alle donderdagen eigenlijk dineren met mijnheer Jamieson, een groothandelaar in huiden en tabak, en misschien daarna samen wat gaan dansen. Alleen omdat zijn jicht hem overvallen had en de goede man moest afzeggen, besloot ik mijn loge in de opera op te zoeken.
Begrijp me niet verkeerd, ik heb altijd sober geleefd. Vanaf het moment dat het onheil toesloeg en ik door het leven werd voortgejaagd was ik spaarzaam. Ik moest wel, omdat ik lange tijd niet wist wat de volgende dag mij zou brengen. Of ik te eten zou hebben. Of er voor mij zou worden gezorgd. Of ik aangevallen zou worden en verder opgejaagd. Ook toen ik dan uiteindelijk in Amsterdam een zekere positie had verworven heb ik mij nooit meer aangemeten dan de uitdossing die de kringen waarin ik verkeerde van mij verwachtten en natuurlijk zaken die ik nodig had voor de uitoefening van mijn vak. Buitenissigheden heb ik mij nooit veroorloofd. Ik heb er ook niet naar getaald. Dit stond ik mijzelf de laatste jaren echter wel toe: een vaste logeplaats in de Franse schouwburg aan de Overtoom, die ik bezocht zodra ik mij daarvoor vrij kon maken.
Daarheen was ik die avond, half oktober, dus op weg. Ik had zoals ik gewend was een bootsman met een kleine, maar propere sloep gehuurd. Het was kil. De kou op de grachten is in Amsterdam anders dan in Venetië. Hij begint maanden vroeger, dringt het lichaam sneller en scherper binnen en nestelt zich eerder in de botten dan in de longen. Toch ga ik liever met de boot dan met een rijtuig. De mensen op de kade slaan geen acht op wie voorbijvaart. Zij gaan op in hun gesprekken. Zo word ik het minst opgemerkt. Ik kan hen echter op mijn gemak bestuderen. Dat deed ik ook die avond, deels voor mijn plezier, deels met het oog op mijn professie.
In de bocht van de Herengracht vielen mij twee heren op. De een was Jan Rijgerbos, een handelaar aan de beurs, die voor mij geen vreemde was. Het is een vriendelijke, welopgevoede weduwnaar, fris en goedgebouwd en niet veeleisend. Zijn metgezel kende ik niet. Die had een donker voorkomen met een opvallend profiel. Het was dat laatste dat mij onmiddellijk trok. Zijn aanblik raakte mij zonder dat ik begreep waarom. Ik vroeg de bootsman sneller te roeien, zodat wij het stel nog even bij konden houden. Ik bestudeerde de onbekende. Hij had een ovaal gelaat en droeg een blonde pruik, die het beter liet uitkomen. Hij was niet bijzonder knap maar wekte dadelijk mijn lust, op een manier die ik van mijzelf niet kende.
Dit ergerde mij.
Ik ben gewend degene te zijn die de lusten wekt.
Hij was me toch te mager, besloot ik. Bovendien ging hij volgens de laatste Parijse mode gekleed in een kniebroek van gele zijde, die zijn kousen bloot liet, wat hem in dit gure weer potsierlijk stond. Ik verloor mijn interesse en keek alweer rond naar andere wandelaars. Terwijl we onder de Leidsebrug door voeren, staken Rijgerbos en zijn vriend die juist over en ik ving alsnog een flard op van hun gesprek. Zij spraken in het Frans, de een moeizaam, de ander vloeiend. De stem van die Fransman stond me aan. Ik liet de bootsman stilhouden onder de bogen van de brug. Daar wachtten wij in de schaduw tot het stel uit het zicht was.
Het is dat mijn decolleté onverantwoord diep was uitgesneden; het is dat ik bepaald niet zonder zonden ben; het is dat mijn gedachten die avond verre van verheven waren; het is dat ik niet het soort vrouw ben aan wie een hogere macht ook maar een kwartiertje van zijn tijd zou verdoen, anders zou je nog denken dat God zelf of anders de duivel voor zijn vermaak in de hele opzet een handje heeft gehad. Een samenloop als deze! Hoe zelden is ons een glimp vergund op het grotere verband waarbinnen de voorvallen uit ons leven een plaats krijgen? Zelfs ik was niet bedacht op wat mij nu te wachten stond, terwijl het lot mij toch jarenlang als speelbal heeft gebruikt. Al die tijd ben ik op mijn hoede gebleven. En juist nu ik dacht dat het eindelijk met mij was uitgesold en mij verveeld terzijde had geschoven, greep het leven mij in volle heftigheid weer bij de keel.
Dit keer kan ik niet anders dan aanvaarden dat achter sommige rampspoed een bedoeling schuilt. Dat het dus zin heeft vol te houden. Mij is het bewijs daarvan geleverd. Of in elk geval… dat zal mij, als God het wil, zeer binnenkort geleverd worden.
Zoals gebruikelijk nam ik kort na aanvang van de voorstelling mijn vaste plaats in, zodat ik zo min mogelijk mensen aanstoot geef. De opera die werd opgevoerd was een oud herdersspel, onlangs getoonzet door een componist uit Grenoble. De meeste rollen werden door de vaste zangers vervuld, van wie de favorieten werden begroet met een ovatie. De hoofdrol, een schapenhoedster, werd vertolkt door een sopraan die in deze rol in heel Europa triomfen heeft gevierd.
Halverwege de eerste akte klopte Jan Rijgerbos aan de deur van mijn loge.
‘Wat een verrassing,’sprak ik, ‘Ik had geen idee dat u van toneel hield. Ik kan me niet herinneren dat wij elkaar hier ooit eerder troffen.’
Hij was te welopgevoed om zijn ongemak met ons onderhoud te tonen, maar hij zorgde er wel voor dat hij vanuit de zaal niet met mij gezien kon worden. Dat ben ik gewend. Het kwetste mij niet en ik nam het hem niet kwalijk.
‘Ik moet bekennen dat de muziek voor mijn oor te gekunsteld is, maar wat weet ik ervan? Nee, ik heb een vriend uit Frankrijk te gast. Hij bezoekt onze stad in opdracht van de Franse schatkist en staat erop elke avond een theater te bezoeken, zoals hij dat in Parijs gewend is. Wij zaten parterre…’
Rijgerbos deed een stap opzij. Daar stond zijn gast, die hij mij voorstelde als monsieur le chevalier de Seingalt.
‘Die plaatsen parterre zijn ons verkocht met de verzekering dat zij de beste blik op de voorstelling bieden,’ sprak de man in het Frans. Hij boog en kuste mij de hand, ‘Maar niemand waarschuwde ons dat het meest bekoorlijke zich vanavond niet op het toneel zou bevinden.’
Alles wat een man tegen een vrouw kan zeggen heb ik al eens gehoord. Complimenten over het uiterlijk vind ik altijd iets verdrietigs hebben, en zeker bij een eerste ontmoeting. Dan lijken ze meteen bij aanvang hun verplichting al moe. Zij moeten iets presteren waar ze zelf niet in geloven, zwaar als ploegpaarden die een dressuurnummer moeten opvoeren. Sommige vrouwen leven voor lieve woordjes. Ik heb ze liever niet. Maar hoe moet een man zoiets begrijpen? Hij hoopt ons een plezier te doen.
Ik bood de heren vriendelijk aan naast mij in de loge plaats te nemen. Jan verborg zich achter het gordijntje, maar Seingalt stapte ongegeneerd naar voren. In het volle zicht van de zaal stond hij daar. De gele zijde van zijn opvallende pak leek door de kaarsen op het voortoneel wel op te lichten.
Pas toen hij alle ogen op ons gericht wist, ging hij zitten en schoof zijn stoel voor iedereen zichtbaar nog eens dichter naar mij toe. Dit kon twee dingen betekenen: of Jan had hem niets over mij verteld, of hij had alles verteld en mijnheer de chevalier was voor de duvel niet bang. Hoe dan ook, ik besloot hem te mogen.
De rest van de aria hoorden wij zwijgend aan. Al die tijd voelde ik de blikken van Seingalt op mij gericht. Hij probeerde door het kant dat ik als voile draag, de lijnen van mijn gezicht te ontdekken. Ik wist dat dit hem niet zou lukken en toch verontrustte het mij. Ik moest mijn ademhaling dwingen mijn opwinding niet te verraden. Zijn ogen, groot en zwart onder geloken leden, bleven maar dwalen, soms over mijn lichaam, soms in de hoop mijn oogopslag te kunnen zien.
Toen in de pauze de grote luchters wrden ontstoken, ging ik wat verzitten zodat ik in de schaduw bleef. De chevalier liet weten dat hij in de L’Etoile d’Orient verbleef, in de Nes op de hoek van de Kuipersteeg. Hij vertelde kortgeleden uit Parijs te zijn aangekomen met de opdracht Franse obligaties, die daar door de oorlog bij verkoop te veel verloren, in Amsterdam te verzilveren teneinde Frankrijks financiële positie te verlichten. Al die tijd bleef hij maar proberen mijn uitdrukking te zien. Tevergeefs. Uiteindelijk vroeg hij wat niemand nog zomaar heeft gedurfd, of ik hem voor de vriendschap die hij mij aanbood wilde belonen door hem een blik op mijn gelaat te schenken. Kennelijk was hij niet gewend dat een vrouw hem iets weigerde, want later probeerde hij het nog eens en minder beleefd. Ten slotte vroeg hij ronduit waarom ik hem niet gunde waarnaar hij zo verlangde.
‘Wanneer u een kostbaar sieraad bezit,’ zei ik, ‘wilt u toch ook niet dat jan en alleman het maar bezichtigt?'
‘U hebt gelijk, ik zou het wegbergen.’
‘Precies zo bewaak ik mijzelf, monsieur. Zorgvuldig.’
Meer informatie en bestellen (gebonden uitgave)
Meer informatie en bestellen (midprice uitgave)
Meer informatie en bestellen (grote letter uitgave)